Verslag van de zomerexcursie naar Belgisch en
Frans Vlaanderen, 25-29 augustus 2025

door Truusje Goedings (Met de zeer gewaardeerde Medewerking van Maarten Mentzel en Regina Lichtenberg (woensdag.), Frits Booy (donderdag), en Maarten Biermans (dinsdag).

Reisverslag

MAANDAG 25 AUGUSTUS 2025

Maandagmorgen vroeg, 25 augustus 2025, zet een comfortabele Koninklijke Beuk bus gevuld met veertig bibliofielen zich soepel in beweging. De 33ste zomerexcursie van het ngb gaat van start. Vanaf het Centraal Station Den Haag rijden we richting Belgisch en Frans Vlaanderen, met het als altijd degelijke en smakelijk geïllustreerde reisboekje bij de hand. In en vanuit Lille zullen we onder meer een aantal gemeentebibliotheken bezoeken die hun bestaan en unieke Réserves rares danken aan de Franse revolutie van 1789, als nieuwe onderkomens van geconfisqueerde bibliotheken uit geplunderde abdijen en kastelen.Voor velen onbekend terrein. Tussenstops zijn er op de heenweg in Gent, bij een van de mooiste bibliotheekgebouwen van onze tijd, en op de terugweg in Brussel, voor een bezoek aan de Koninklijke Bibliotheek (kbr), zoals Defoort ons vertelt in de fraaie voormalige handschriftenzaal. De basis werd ook hier gelegd door confiscatie van nabije kloosterbibliotheken. Rond 1800 gingen de boeken over in gemeentelijk bezit, dat later werd samengevoegd met de boekerij van de universiteit. In de negentiende eeuw volgde een enorme toename van het bestand door toedoen van de bibliothecaris en ‘grote raper’ Ferdinand van der Haeghen (1830-1913), die bijvoorbeeld op een veiling in Amsterdam in 1869 de omvangrijke collecties pamfletten van Isaac Meulman en Frederik Muller verwierf, ‘weggekaapt voor de neus van de Hollanders’. Defoort heeft een prachtige, meest aan Gent gerelateerde selectie gemaakt van een twintigtal stukken van de elfde eeuw tot de postincunabeltijd en van rariora vanaf circa 1550. Daarbij de autograaf van het Liber Floridus (1090-1121) van Lambert van Omaars, de populaire bloemlezing van middeleeuwse kennis waarvan zeker negen vroege afschriften bekend zijn. Het oudste stuk is een lijvig verzamelhandschrift (negende tot elfde eeuw) geheel gewijd aan de heilige Amandus, van wie wij ook later in de week nog veel sporen zullen tegenkomen. Amandus stichtte in de zevende eeuw de Sint-Amandsabdij bij Valenciennes en vervolgens de Sint-Pieters- en de Sint-Baafsabdijen waaruit Gent is voortgekomen. De in de dertiende eeuw bloeiende Sint-Pietersabdij produceerde zelf rijk versierde, monumentale antifonaria, waarvan Defoort een prachtig exemplaar laat zien Uit Arent de Keyseres kostbare Boëthius-uitgave (Gent 1485, folio) blijkt dat de overgang van handschrift naar druk niet altijd van harte ging. De Keysere wilde geen houtsneden bij de opening van elk van de vijf hoofdstukken maar een bijna paginagrote miniatuur volgens een bepaald model en met de hand aangebrachte initialen – en dit voor de hele oplage van vierhonderd exemplaren. Hoe dit afliep kunnen we zien aan de hand van liefst drie exemplaren. Een daarvan is compleet en rijk geïllustreerd, terwijl in de andere twee de bewuste bladen grotendeels wit zijn gebleven (zoals meestal); alleen de initialen zijn met de hand uitgewerkt (afb. 1 en 2).

 

Postincunabelen zien we onder meer uit de Erasmuscollectie, volgens de bevlogen conservator de grootste ter wereld. Dan volgt een keur aan doorbladerbare curiosa en Gentiana vanaf circa 1560, met onder meer Plantijns Vesalius-uitgave (1566), Van Baerles Intocht van Maria de Medici (Amsterdam 1639) met een kleine inscriptie van Vondel – volgens Defoort het bewijs dat hij was betrokken bij de Nederlandse vertaling – en een veilingcatalogus ‘om duimen en vingers bij af te likken’ van de fictieve collectie van de Comte de Fortsas (1840), geproduceerd ‘om de bibliofielen een neus te zetten’: velen ondernamen heimelijk de reis naar de veiling in het afgelegen dorpje Binche, waar zij vergeefs zochten naar de niet bestaande veilinglocatie. Verder zijn er bijzondere boekbanden en autografen in boeken van onder meer Lev Tolstoy (een opdracht uit 1905, in de Russische editie van zijn Pensées, 1898) en befaamde Vlaamse literatoren. En veel meer. Ons bezoek loopt flink uit. We danken onze begeleiders met das, sjaal en boekjes voor deze veelzijdige en intensieve middag die voelt als een complete excursie we zouden wel weer naar huis kunnen. Maar de bus zoeft in tegengestelde richting.

In de schemer komen we aan in het oude centrum van Lille, waar we ons aan de voet van de Église Saint-Maurice voor de komende vier nachten installeren in Hotel Brueghel (1910). Vanuit dit typisch Franse onderkomen met zoals zal blijken een enkel zwoegend liftje tot zes hoog, piepkleine maar aangenaam stille kamertjes en elke dag een top-ontbijt, beginnen we dinsdag in Lille met de collecties van de gemeente en de universiteit, het Institut Catholique de Lille. 

1 Boëthius, De consolatione philosophiae. Gent, Arent de Keysere, 3 mei 1485; met vijf grote miniaturen, initialen en extra versieringen. Gent, Universiteitsbibliotheek.

2 Boëthius, De consolatione philosophiae. Gent, Arent de Keysere, 3 mei 1485; alleen de initialen zijn ingevuld, de ruimtes bestemd voor miniaturen zijn wit gelaten. Gent, Universiteitsbibliotheek.

DINSDAG 26 AUGUSTUS 2025

Om tien uur worden we ontvangen in de gemeentelijke bibliotheek, nu Mediathèque municipale Jean Lévy, in 1809 opgericht om de opbrengst te herbergen van de revolutionaire confiscaties van privébibliotheken en abdijen uit de regio, zoals Marchiennes en Cysoing. Conservator Jean-Jacques Vandewalle heeft een uitgelezen presentatie voorbereid van een aantal vroege, schitterend verluchte handschriften, alle geproduceerd in Noordwest- Frankrijk, en enkele incunabelen. Hij laat de stukken zien op een lessenaar terwijl we tegelijk via geavanceerde apparatuur vol op zijn vingers in de boeken kunnen kijken. Het oudste boek uit de collectie is een rijk geïllustreerd evangeliarium met kalender in folio uit 1153, afkomstig uit Cysoing. Zou het met de goudmetalen band te maken hebben dat de volle kleuring zo ongelofelijk helder is bewaard? ‘Het lijkt goud, maar dat is het niet’, verzekert de bibliothecaris ons, ‘het is verguld koper’ (afb. 3). Dergelijke banden werden vrijwel alle gesloopt om het metaal,

3 Conservator Vandewalle met het oudste boek uit de gemeentebibliotheek, een rijk verlucht evangelarium uit 1153 uit Cysoing in de oorspronkelijke ‘gouden’ (verguld koperen) band. Lille, Mediathèque Jean Lévy.

4 Le Chastellain de Coucy et la dame de Fayel, handschrift in folio, geïllustreerd voor Jean de Wavrin met 53 pentekeningen  door de Meester van Wavrin, Lille circa 1450; hier de verbeelding van het begin van hun overspel. Lille, Mediathèque Jean Lévy.  Dit exemplaar is nu een unicum, dat binnenkort wordt geëxposeerd in de Parijse Bibliothèque nationale. Indrukwekkend zijn ook twee folianten verlucht door de Meester van de Privileges van Gent (actief 1440-1460) in een stijlvariant die, evenals het extra grote formaat, karakteristiek is voor het Bourgondische Hof te Lille: een missaal uit 1453 en het klassieke, gemoraliseerde Les dix moreaux des philosophes. De handschriften waren bestemd voor Jan III van Lannoy, een Vlaamse edelman in dienst van de hertogen van Bourgondië. In een heel andere stijl, vol vaart en zonder extra opsmuk met pentekeningen in lichte aquareltonen verlucht, zijn de manuscripten op papier van de Meester van Wavrin, actief tussen 1450 en Van hem is een tiental geïllustreerde handschriften bekend, vaak romans, alle op papier. Ze zijn gemaakt voor Jean de Wavrin, schrijver, bibliofiel en kamerheer van Filips de Goede in Lille. In Le Chastellain de Coucy et la dame de Fayel ,een navolging in proza van de twaalfde-eeuwse roman in verzen L’Histoire du Coeur Mangé ,verbeelden 53 illustraties treffend, als een beeldverhaal, episodes uit het verhaal van de Dame de Fayel, die zich inlaat met de Heer van Coucy (afb. 4). Haar man ontdekt de affaire, stuurt de ridder op kruistocht en laat na diens dood zijn hart uitsnijden om het tijdens een rijk diner ongemerkt door zijn gade te laten opsmullen – die bij de onthulling door haar man terstond van schrik dood neervalt. Vandewalle weet de moraal wel: ‘il faut pas tromper son mari!’ Speciaal voor ons is de Spieghel der Menselijke Behoudenisse tevoorschijn gehaald, een van de drie bekende titels in prototypische druk (1473/1479?), met zijn doorlopende reeks houtsnede-illustraties bovenaan de bladen. Na al dit en meer uitzonderlijks wacht ons nog een dubbele tafel vol Lilliana en rariora, meest latere aanwinsten, met veel voorbeelden van volksdrukcultuur. Hierbij werk van de vroegste drukkers van Lille die het vak leerden bij Plantijn, zoals Guillaume Strobant, een verzameling carnavalsliedjes in het patois (de streektaal) gedrukt in de estaminets, de kroegen van Lille in de achttiende en negentiende eeuw, en een collectie colportageboekjes met allerlei soorten van soms controversiële inhoud, in kleurige sierpapieren omslagjes (afb. 5). Deze boekjes 5 Voorbeelden uit de collectie colportageboekjes geproduceerd en huis aan huis verkocht in Lille. Lille, Mediathèque Jean Lévy. werden onder vele pseudoniemen gedrukt door dezelfde drukker, Simon Blocquel. Ook zien we de eerste fotoalbums ter wereld, geproduceerd in Blanc à Gand, nabij Lille. Het is te veel om op te noemen. Een prachtige en leerzame morgen die door zijn rijke aanbod opnieuw een hele dag lijkt en waarvoor we de conservator en zijn medewerker zeer danken. Het is daarom niet zo erg dat de middag, bij het laat negentiende- eeuwse Institut Catholique de Lille wat kariger uitvalt dan de reiscommissie voor ogen stond. Anders dan gepland worden we niet ontvangen in de bibliotheek, die erg mooi schijnt te zijn, maar in de aanpalende kerk (of kapel), waar de presentaties door bibliothecaris Thomas Martel en zijn assistentes plaatsvinden. Aan de ene kant van het schip houdt hij een uitvoerige voordracht over een handschrift dat hier al enkele jaren niet meer is, hetgeen als een ‘first’ mag worden gezien in de reizen van de bibliofielen. Dit prachtige Evangeliarium van St. Mihiel, in de elfde eeuw vervaardigd in de abdij van Reichenau in de Bodensee, met vijftien paginagrote illustraties in expressieve, volle kleuren, is niet gestolen maar te gelde gemaakt (via antiquaar Jörn Günther) en sinds 2021 in bezit van Getty. Aan de overzijde van het schip is een hoekje tegen de muur ingericht met een tafel vol (religieuze) literatuur en almanakken vanaf de zestiende eeuw, toegelicht door twee zeer vriendelijke medewerkers, maar door de ongelukkige plaatsing slecht voor allen zichtbaar. Er zijn onder meer een fraai geïllustreerde Vorstermanbijbel (1528) en Buffons Histoire Naturelle (1749-1804). Van compleet bewaarde sets zoals deze is helaas maar een enkel deel uit de kast gehaald, zoals ook van Waltons Biblia Polyglotta (1657), waarvoor Wenzel Hollar schitterende prenten maakte – die we helaas niet zien. Toch draagt ook (of juist) deze middag bij aan het besef dat in deze regio een onvoorstelbare hoeveelheid aan zeldzaamheden, vooral heel vroege handschriften, is geproduceerd en/of bewaard en hoe uniek en begeerlijk die zijn. Alleen al in de vorige twee bibliotheken zagen we er tien. Getty heeft ze (nog) niet.

WOENSDAG 27 AUGUSTUS 2025

Woensdagmorgen rijdt de bus ons naar en door Douai aan de Scarpe, dat vanuit het busraam overkomt als een wat vervallen
fabrieksstadje. Ooit, rond 1600, was Douai een bloeiend internationaal intellectueel centrum met een universiteit. Die moest
het afstaan aan Lille, terwijl oorlogen verder sloopwerk deden. In het wat verwaarloosde jarenvijftig-gebouw van de gemeentebibliotheek Marceline Desbordes-Valmore wacht ons niettemin een grote verrassing. Douai heeft zijn mooiste boekenschatten weten te behouden sinds ze hier rond 1798 werden gedeponeerd uit nabije kloosters, vooral, met liefst driehonderd vroege handschriften, uit de abdij van Marchiennes, gesticht in 640. In zijn uitpuilende kleine werkkamer laat conservator Jean Vilbas, bijgestaan door Quentin Gallo, ons op drie aaneengeschoven tafeltjes bij het raam een twintigtal prachtige heel vroege geïllustreerde handschriften zien, uit de negende tot dertiende eeuw, en ook latere handschriften en drukken. Helaas wat snel en kort, want we zijn voor deze gelegenheid in drie groepen verdeeld – en dat is voor deze ruimte eigenlijk nog te weinig. De stapels unica dienen zelf steeds als lessenaar (afb. 6 en 7). Ze zijn hier duidelijk in overvloed. Een latere blik op het internet levert een getal op van 798 vroege handschriften (meest uit de negende tot dertiende eeuw!). Het is indrukwekkend, vooral ook door de vindingrijke afwisseling van de vaak paginagrote versieringen in ingenieuze geometrische patronen en de royaal versierde of geïllustreerde teksten in Karolingische of Ottoonse stijl, meest in heel fris gebleven kleuren en met zilver en goud. Een van de vroegste topstukken is een uit 790 daterende Synopsis van de vier evangeliën uit Marchiennes, mogelijk uit Fulda afkomstig. Deze handschriften steken in hun decoratieve en illustratieve levendigheid de kostbare, chique en verfijnd gedecoreerde handschriften van de latere Bourgondiërs, die we eerde zagen en nog gaan zien, naar de kroon. Er zijn ook latere aanwinsten zoals Jean Franeau’s Iardin d’Hyvers, een bloemenboek gedrukt in Douai (1616) met vijftig prenten deels ontleend aan Crispijn van de Passes Hortus floridus (1614), en een set mooi gebonden en geïllumineerde negentiende-eeuwse reisboeken uit Turkije, geschreven in het Perzisch. 

7 Conservator Jean Vilbas toont zijn keuze uit de collectie van vaak
prachtig verluchte handschriften afkomstig uit de abdij van Marchiennes,
Douai, Mediathèque Marceline Desbordes-Valmore.


Na deze verbluffende, helaas wat snelle presentatie gebruiken de meeste bibliofielen de resterende tijd om, op tien minuten lopen, een blik te werpen in het eveneens verrassende, recent gerestaureerde Musée de la Chartreuse, een zestiende-eeuws kartuizerklooster met onder meer mooie schilderijen van Veronese, Scorel, Corot en impressionisten, en een zaal waarin een zeventiende-eeuwse rariteitenverzameling is bijeengebracht. Een recent vervaardigde zwaaiende slinger van Foucault en een rij gebeeldhouwde portretten sieren de imposante kapel. Tussen de middag reizen we door naar Doornik of Tournai, ooit een centrum van tapijtweverij. In de bibliotheek van het Seminarie van Doornik, sinds 1808 gevestigd in het voormalige Jezuïetencollege (1595), worden wij opnieuw met een ‘first’ geconfronteerd (afb. 8). Louis-Donat Casterman, lid van de zevende
generatie van de Doorni zit twintig minuten lang zwijgend en met gebogenhoofd onder de voortgaande beelden van zijn eigen powerpoint over de familieuitgeverij.kse uitgevers Casterman, bekend van Kuifje, 


8 De binnenplaats van het Seminarie van Doornik, sinds 1808 gevestigd in het voormalige Jezuïetencollege (1595).
13


Zo leren wij de ware kloosterstilte kennen, want iedereen wacht stilgespannen tot Louis het woord zal nemen. Hij doet dat niet. Later wel, in de eerste van twee mooie oude bibliotheekzalen, de Réserve précieuse, waar hij vroege Castermanuitgaven onderhoudend toelicht,naast een door Hergé in 1970 aanhem opgedragen Kuifjebundel. Hier laatconservator Monique Maillard, samenmet medewerker Francis Vande Putte,ons ook een selectie zien uit het oude boekenbestand. Extra aandacht gaat uit naar de Lobbesbijbel, afkomstig uit de voormalige benedictijnenabdij Saint-Pierre de Lobbes en in 1084 voltooid door Goderan,
die zowel kopiist als verluchter was. De iconografie is origineel en divers: Goderan haalde zijn inspiratie uit de Latijnse kerkvaders, hagiografische literatuur en rabbijnse bijbelcommentaren. Van de vroege drukken zien we onder meer La Saincte Bible en Francoys (Antwerpen, M. Lempereur 1530), Cicero’s De Officiis gedrukt door Henrich Steyner in Augsburg (1537) en een gave eerste druk van de Fables choisies van Jean de la Fontaine (4 delen, Parijs 1755-1759). Tot slot laat Maillard de mooiste band van de collectie zien, in Grolier-stijl gemaakt voor bisschop Robert de Croÿ (met zijn wapen op het voorplat) om zijn eigen editie van de Synodale Decreten van Cambray (Parijs 1551) (afb. 9). Na nog een blik door het raam te hebben geworpen op de prachtige oude kloostertuin vol moestuinperken en fruitbomen keren we terug naar Lille. De beroemde twaalfde-eeuwse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal moeten we helaas tot een volgende keer bewaren.

DONDERDAG 28 AUGUSTUS 202

VALENCIENNES EN LILLE

’s Morgens brengt de bus ons naar de gemeentebibliotheek van Valenciennes, ofwel de Mediathèque Simone Veil, waarvan ons doel, het voormalige Jezuïtencollege (1591) met zijn bibliotheek, onderdeel is. Het College werd al in 1763 door de gemeente overgenomen en bleef daardoor gespaard voor revolutionaire vernieling, inclusief de fraaie bibliotheekzaal uit 1736. Belangrijke bibliotheken uit de regio werden hier in het begin van de negentiende eeuw ondergebracht, zoals die van de adellijke familie De Croÿ met circa tweeduizend titels en in het bijzonder die van de Sint-Amandsabdij met circa driehonderd zeer vroege  handschriften. In de romaanse tijd bezat deze abdij zelf een bloeiend scriptorium met zeer inventieve verluchters. Voordat we een selectie gaan zien, horen we van medewerkster Emanuelle Federbe meer over de fraaie bibliotheekzaal, met 36 portretten van geleerde jezuïeten ter inspiratie boven de hoge boekenkasten, en over het hier bewaarde topstuk, een negende-eeuws handschrift uit Sint-Amands waarin het oudst bekende gedicht uit de Franse literatuur is opgenomen, het Cantilène de Sainte Eulalie (circa 882). Het bezingt de martelgang van de kleine Eulalie uit het dorpje Merida die om haar standvastig geloof al op haar twaalfde, in 304, op de brandstapel belandde, die overleefde, maar vervolgens werd onthoofd – waarop een witte duif aan haar mond ontsnapte. Daarnaast bevat dit handschrift nog een mijlpaal, namelijk het oudste historische gedicht in de Duitse taal, het Ludwigslied, over de overwinning van koning Lodewijk III op de Vikingen bij Abbeville in 881. In de onderzoekzaal wacht ons vervolgens conservator Coline Gosciniak op met een royale selectie vroege handschriften en boeken, vaak rijk geïllumineerd. Schitterende voorbeelden uit Sint-Amands zijn een levensbeschrijving van de heilige Amandus in de oorspronkelijke hulselband, verlucht met 32 paginagrote illustraties in nog sprankelende, subtiele kleuren op perkament, en enkele getijdenboeken in volle en felle kleuren, alle uit het begin van de twaalfde eeuw (afb. 10). Van een heel ander (Elzevier) formaat is een achttiende-eeuwse uitgave van Boëthius ‘en peau de souris’, gebonden in een muizenvelletje. Dat zagen wij nooit eerder. Uit de bibliotheek van de familie De Croÿ zien we onder meer enkele rijk versierde handschriften in folio van het Bourgondische hof en de Chansons de Charles de Croy, een geïllustreerd zanghandschrift met luittabulatuur uit circa 1600, met profane, hoofse en religieuze liederen. Uit de militaire verzameling van maarschalk Emmanuel de Croÿ komt de Atlas Barcelone, een verzameling van negen Spaanse portolaankaarten in kleur op perkament uit 1572. Ook zien we het oudste in Valenciennes gedrukte boek, Micropedia, een grammatica opgebouwd uit religieuze teksten van Alexander de Villa Dei, ‘imprimé pour piero libraire demourant en le rue des angles en valenchiennes’ in 1520. Van Valenciennes’ vermaardheid als kantcentrum rond 1800 getuigen tenslotte een keurboek voor kantwerk met voorbeelden van onder meer vogels en bloemen; en een negentiende-eeuws gedrukt en ingekleurd patroonboek. Opnieuw een prachtige presentatie waarbij het diverse karakter maar vooral ook het rijke bezit aan heel vroege geïllumineerde handschriften imponeert. 

10 Handschrift uit circa 1066 met het leven van de heilige Amandus, in zeer oude hulselband, verlucht met 32 bijna paginagrote illustraties in Karolingische stijl, afkomstig uit de door Amandus gestichte abdij nabij Valenciennes. Valenciennes, Mediathèque Simone Veil.

 

We danken Coline, die ons in 2018 al eens in de Carnegie Library in Reims ontving, met een recent boek over Maria Sybilla Merian.

De vrije middag in Lille wordt door velen aangegrepen om in het Palais des Beaux Arts de grote tentoonstelling Fètes et Célebrations Flamandes te zien – de laatste dag! Voor bibliofielen extra interessant vanwege de vele aan ‘blijde inkomsten’ gewijde boeken, manuscripten, prenten, voorbeeldboeken en voorstudies op papier en paneel, meest uit de zestiende en zeventiende eeuw, die hier zijn geëxposeerd naast minder bekende schilderijen met veldslagen en moordpartijen uit het begin van de Tachtigjarige Oorlog en topstukken van de Brueghels en Rubens, en die je zelden zo bij elkaar ziet.

’s Avonds is er een geslaagd groot diner in een villa in het groen, verborgen achter een enorm bankgebouw in een voorstad van Lille (afb. 11). In de tuin staat de champagne klaar. Tijdens het prima en geanimeerde maal weet Frits Booy iedereen met zijn actuele excursie-refreinen tot koorzang te brengen en 

11 Slotdiner, ontvangst met champagne!

wordt de nu al geslaagde reis nog eens overzien door diverse sprekers. Tot slot worden de leden van de reiscommissie in het zonnetje gezet. Maar – de volgende dag wacht ons nog een niet gering laatste programmaonderdeel: de Koninklijke Bibliotheek Albert I ofwel KBR in Brussel, met sinds 2020 een eigen museum.

VRIJDAG 29  AUGUSTUS 2025

BRUSSEL

Na een voorspoedige busrit lunchen we vrijdag rond de Brusselse Kunstberg, ruim op tijd voor de ontvangst in de KBR door

conservatoren Ann Kelders in het museum en Jan Pauwels bij de bijzondere collecties. Basis van de KBR, nu goed voor acht

miljoen boeken, zijn twee collecties: de Bourgondische Librije van de bibliofiele hertog Filips de Goede, zijn familie en hoven

(1369-1477), waarvan driehonderd handschriften (van de circa duizend) met schitterende miniaturen sinds 1559 (met onderbrekingen) in Brussel worden bewaard, en de collectie van de bibliofiel en bibliothecaris Karel Van Hulthem (1764-1832), in 1837 aangekocht door de staat. Het museum laat handschriften uit de Librije zien in wisselende opstellingen, in combinatie met een reconstructie van het polyfonisch muziekleven rond 1500 in klank en beeld. In de in het gebouw geïntegreerde kapel horen we koren van Josquin des Prez en Petrus Alamire en zien we Van Eycks musicerende engelen in de kopieën van Michiel Coxie naast prachtig versierde (muziek)handschriften, onder meer uit het atelier van Petrus Alamire. Op de bovenste verdieping ligt een keur aan handschriften met miniaturen uitgestald, vooral gemaakt voor Karel de Stoute, het een nog mooier dan het andere. We komen tijd te kort, en de verslaggever en ook anderen raken de groep en de weg kwijt in het immense gebouw waardoor ze te laat aankomen bij Jan Pauwels’ presentatie, midden in zijn toelichting bij Jacob van Maerlants Rijmbijbel (1285). Pauwels heeft op  rie tafels topstukken uitgestald, te beginnen met voor Nederland belangrijke vroege handschriften en (post)incunabelen, meest afkomstig uit de collectie Van Hulthem. Maerlants kopie naar een verdwenen, slechts dertig jaar ouder origineel is het oudste compleet bewaarde versierde handschrift in het Middelnederlands, met 159 rijk vergulde miniaturen die we kunnen zien dankzij een slimme restauratie met vislijm, waarmee het recent massaal loslatende bladgoud kon worden gehecht. Belangrijk is ook het zogenaamde Handschrift Van Hulthem (veertiende eeuw), waarin een kopiist 214 teksten vastlegde die samen een overzicht geven van de toenmalige Nederlandse literatuur: getijden en gebeden, met daarnaast pikante vertellingen, liefdesbrieven, vele rijmspreuken, spelen, liederen, fabels, mirakelbeschrijvingen en zelfs een reisplanner. Een deel ervan is alleen nog dankzij dit afschrift bekend. Mogelijk was de bundel bedoeld als selectie voor een reizende verteller of als scriptoriumexemplaar. Een ander unicum is het Wapen- en gedichtenboek van Gelre, tussen 1385 en 1402 geheel geschreven, 

12 Meester van Wavrin, met aquarel gehoogde pentekeningen voor Girart de Nevers, handschrift in folio, circa 1450; een prozabewerking van de Roman de la Violette. Brussel, Koninklijke Bibliotheek.

getekend en afgezet door de heraut Klaas Heinenzoon, die het illustreerde met 1800 wapens uit heel Europa en extra tekeningen waaronder zijn zelfportret. Zelfs het Wilhelmus is hierin te vinden, op fol. 37r. De Meester van Wavrin herkennen we van Lille, hier zien we opnieuw een roman, Girart de Nevers (1450-1467), een prozabewerking van de Roman de la Violette (twaalfde eeuw) (afb. 12). Daarin is een onbezonnen, provocerende weddenschap van de titelheer Girart over zijn geliefde oorzaak van een reeks rampzaligheden die beiden apart overkomen, maar uiteindelijk overwint het recht – alles treffend en vol vaart en humor in vijftig pentekeningen gevat. Bij de vroege drukken zien we Gerard Leeus met veel houtsneden geïllustreerde Meluzine (Antwerpen 1491) en Anna Bijns’ Constige Refereinen, haar debuut uit 1528 in oblong duodecimo (Antwerpen, Van Liesvelt). Op een tweede tafel zijn vooral voorbeelden uit de rijke collectie latere handschriften te zien, waaronder correspondentie van Voltaire en een verzamelband rond een luxe eerste druk van Baudelaires Les fleurs du mal (1857, octavo) op Japans papier, gebonden door Chambolle-Duru, vol meegebonden brieven, ook van Baudelaire zelf, en portretjes van onder meer Rops en Manet. De derde zeer lange tafel bevat enkele manuscripten, waaronder een Recueil des Combats met vijftig dubbelblads manuscriptkaarten in kleur getekend door Pierre Lepoivre voor Filips ii (circa 1615 gebundeld) en vooral veel mooie banden uit de zestiende tot en met twintigste eeuw. We houden een Grolier in onze handen, gekleurde banden toegeschreven aan Plantijn, een bijzonder almanakje, de art-decoband die Pierre Bonet maakte voor Vollards uitgave van Parallèllement met litho’s van Bonnard (Parijs 1900) en art-decobanden en ontwerpen van Rose Adler, de laatste twee uit de schenking Solvay (afb. 13). Bijna teveel om te bevatten. We  sluiten ons bezoek  af met een glas wijn in de kantine van de KBR en haasten ons vervolgens de bus in, waar onderweg voedzame Belgische broodjes worden rondgedeeld. Na een ontspannen rit zijn we in de avond terug bij af, op het Centraal Station in Den Haag. We kunnen terugzien op een geweldige week met, voor het overgrote deel, schouwen van een ongelofelijk hoge kwaliteit en zelfs veel doorbladerbaars. Dat de collecties vooral de regio vertegenwoordigden bleek allerminst te betekenen dat ze van een provinciaal niveau waren, integendeel. De hier bewaarde handschriften vanaf de negende eeuw met hun vaak verrassend inventieve illustraties, aanvankelijk in geometrische patronen, later soms bijna in de vorm van beeldverhalen, in uitgesproken, volle en helder bewaarde kleuren, in het bijzonder die uit de scriptoria van Sint-Amands en Marchiennes, maakten grote indruk. Ze deden zeker niet onder voor de verfijnde en prestigieuze handschriftproductie voor de Bourgondiërs, waarvan wij ook de  mooiste voorbeelden te zien kregen.

Bij de laatste onderscheidden zich opmerkelijke illustratoren zoals de Meester van Wavrin. Waar Getty zich moet behelpen met enkele soms slinks verworven handschriften van dit niveau, zagen wij er vele tientallen. Om de bijzondere latere stukken, banden – en gebouwen – maar niet te noemen. Opnieuw een reis om niet gauw te vergeten, met letterlijk een rijkdom aan indrukken. Zo zie je het zelden. Dus ook opnieuw: hulde aan Edwin, Frederik, Marieke en Thera, onze reiscommissie!

 

13 Paul Bonet, band uit 1935 om Paul

Verlaine, Parallèlement, folio, met 10  litho’s van Pierre Bonnard. Parijs, Vollard, 1900. Brussel, Koninklijke Bibliotheek,  schenking Solvay.